De Europese Commissie trapt stevig op de rem m.b.t. ESG-wetgeving en creëert daarmee een ongeziene juridische onzekerheid

Partnerblog

Daar waar de Europese Unie de afgelopen jaren de ambitie had geuit om wereldleider te worden op het vlak van duurzaamheid, schroeft de Europese Commissie haar eigen ambities op dat vlak sterk terug.

Hier zijn duidelijk meerdere redenen voor, zoals onder meer de huidige geopolitieke situatie, de ingezette tegenbeweging in de Verenigde Staten en de verwachte negatieve impact op de concurrentiepositie van Europese bedrijven. Daarnaast kwam er veel kritiek op het feit dat de focus vooral lag op de verplichting om zeer uitgebreid te rapporteren en daarmee een buitenproportionele zware administratieve en financiële last werd gecreëerd voor bedrijven.    

De Europese Commissie lijkt de ESG-oefening dan ook sterk af te zwakken zowel in omvang, als in scope. Ook de timing wordt wellicht sterk aangepast, hetgeen vandaag leidt tot heel wat juridische onzekerheid.

Essentie van de Omnibus-voorstellen: radicale verlichting van ESG-verplichtingen

De Europese Commissie stelde op 26 februari 2025 belangrijke wetswijzigingen voor via de Omnibus-voorstellen[1], in het bijzonder worden de Taxonomieverordening[2], de CSRD[3] en de CS3D[4] naar alle waarschijnlijkheid sterk terug gedraaid.

Wij situeren graag de belangrijkste wijzigingen hieronder:

  1.  De CSRD wordt aanzienlijk beperkt in haar scope voor wat betreft de ‘large companies’ (i.e. Wave 2):
    De Omnibus-voorstellen verhogen de minimumdrempel voor ‘large companies’ (grote ondernemingen) van 250 naar 1000 werknemers (op basis van jaargemiddelde), met dien verstande dat grote ondernemingen met minder dan 1000 werknemers aan het toepassingsgebied van de CSRD zullen ontsnappen. Verwacht wordt dat het toepassingsgebied daardoor met circa 80 % zal dalen.
  2. Aangekondigd wordt dat men de ESRS-standaarden, zoals ontwikkeld door EFRAG, substantieel wenst te verminderen, met als resultaat een aanzienlijke vermindering van de verplichte datapoints. Ook dit zou leiden tot een belangrijke verlichting van de rapportageverplichting met betrekking tot die punten die men als materieel heeft weerhouden.
  3. De essentiële hoeksteen van de dubbele materialiteitsoefening wordt behouden, maar zal worden aangescherpt en verduidelijkt naar methodologie en uitvoering. Deze aanpassing kan met andere woorden het hart van de hele ESG-oefening raken en kan dus een belangrijke impact hebben op de concrete ESG-oefening van bedrijven. Zoals reeds gezegd, zal er naar alle waarschijnlijkheid ook aanzienlijk minder moeten gerapporteerd worden met betrekking tot de weerhouden materiële punten.
  4. Om de administratieve lasten voor ondernemingen te verlichten, stelt de Europese Commissie voor dat ook in de toekomst enkel limited assurance wordt vereist en er afstand wordt gedaan van de ambitie om ‘reasonable’ assurance te vereisen. Hierdoor  zal de controle door de controlerende commissaris/ bedrijfsrevisor minder ver gaan dan initieel bedoeld was. De limited assurance veronderstelt dat een beperkte mate van zekerheid vereist is, waarbij men verifieert of er een afwijking is van materieel belang, dit in tegenstelling tot de uitgebreide controleverklaring die vereist is in het kader van reasonable assurance.
  5. Er wordt een bijzonder beschermingsmechanisme ingevoerd voor wat betreft de informatie die kan worden opgevraagd aan off-scope ondernemingen, die zelf niet onder de CSRD-rapportering, maar deel vormen van de waardeketen van in-scope bedrijven.
  6. Hand in hand met het uitstel voor de CSRD, wenst de Europese Commissie ook een uitstel te voorzien voor de ondernemingen in-scope van CSRD, die dienen te rapporteren cfr. art. 8 Taxonomieverordening. Verder wordt het toepassingsgebied van de Taxonomieverordening gevoelig ingeperkt: de rapportering cfr. Taxonomieverordening blijft enkel verplicht tot de ondernemingen met minstens 1000 werknemers (jaargemiddeld) en met meer dan 45 miljoen EUR omzet. ‘Kleinere’ bedrijven zouden buiten het toepassingsgebied van de Taxonomieverordening vallen.
  7. Ook voor de CS3D voorziet men een uitstel van één jaar. De deadline voor de omzetting in nationale wetgeving verschuift van de zomer van 2027 naar 2028. Opmerkelijk is dat de due diligence vereisten – de essentie van de CS3D – worden vereenvoudigd met dien verstande dat de due diligence-vereisten worden beperkt tot de directe zakenpartners, met verminderde monitorverplichtingen (om de 5 jaar i.p.v. jaarlijks).

De bijgestelde ambities en de daarbijhorende vereenvoudiging zullen door veel bedrijven positief onthaald worden. Ook zal niemand er bezwaar tegen hebben dat er meer duidelijkheid wordt gecreëerd met betrekking tot een aantal wezenlijke ESG-verplichtingen die vandaag onvoldoende duidelijk waren. Anderzijds leidt dat vandaag wel tot een bijzonder onduidelijke en onzekere juridische situatie voor heel wat bedrijven. Gelet op de zware administratieve impact en de daarbijhorende kosten, hebben ondernemingen wel het recht om hier snel duidelijkheid in te krijgen.

Impact van Omnibus-voorstellen: Onzekerheid

Het is namelijk zo dat de Omnibus-voorstellen wetsontwerpen zijn, waarover een politiek akkoord moet worden bereikt binnen het Europees Parlement en de Europese Raad.  Anderzijds dient juridisch-technisch te worden opgemerkt dat de huidige CSRD-wetgeving, met uitgebreide rapporteringsverplichtingen en deadlines, reeds is omgezet naar Belgisch recht en vandaag juridisch bindend is voor Belgische ondernemingen.

Bijgevolg wordt de Europese industrie vandaag met een ongeziene periode van juridische onzekerheid geconfronteerd. Voor duizenden bedrijven is het vooreerst onduidelijk of zij überhaupt (nog) in-scope vallen van de CSRD, CS3D en Taxonomieverordening. Verwacht wordt dat meer dan 80% van de bedrijven out-scope vallen en de CSRD-dans zullen ontspringen. Voor een tweede categorie van bedrijven die in-scope vallen van zowel de initiële wetteksten als de Omnibus-voorstellen, is het bijzonder onzeker waarover en wat ze daaromtrent dienden te rapporteren en tegen wanneer zij dat moeten doen. Juridisch zouden zij dit nog steeds moeten doen conform de nationale wetgeving, maar dit vloekt uiteraard met efficiëntie. (Binnen Europa zijn er dan ook nog aanzienlijke verschillen doordat bepaalde landen de CSRD-richtlijn reeds hadden omgezet naar nationaal recht, waar anderen dat nog niet hadden gedaan.)  

Daarnaast dreigen de early adopters van de ESG-wetgeving, die aanzienlijke middelen investeerden in de duurzaamheidsrapportering, heel wat kosten en inspanningen te hebben gedaan die ze wellicht liever hadden ingezet om daadwerkelijk te investeren in duurzaamheidsinitiatieven.

De roep om een dringende tussenkomst van de wetgever om snel duidelijkheid te brengen klinkt steeds harder.

Het voelde alleszins onredelijk aan te verwachten dat Europese bedrijven voortwerken aan hun duurzaamheidsrapportering naar de strenge CSRD-vereisten, terwijl er belangrijke wijzigingen worden aangekondigd. De oproep aan de Europese Unie om snel zekerheid te bieden rond de uitgestelde rapporteringsdeadlines, is intussen gelukkig beantwoord.

Op 14 april 2025 is de Stop-the-Clock-Richtlijn[5] aangenomen. De rapporteringsdeadlines onder de CSRD voor zowel de ‘large companies’ (i.e. Wave 2) als de beursgenoteerde KMO’s (i.e. Wave 3) schuiven daardoor met twee (2) jaar op. Ook de rapporteringsplicht onder de CS3D wordt met één (1) jaar uitgesteld.

Terug naar de tekentafel?

Deze bevreemdende situatie biedt bedrijven anderzijds misschien ook de kans om met hun ESG-oefening terug naar de tekentafel te trekken en de juiste lessen te trekken uit hun eerdere aanpak.

Mogen we bijvoorbeeld niet besluiten dat veel bedrijven vandaag (bv. onder druk van de wettelijke deadlines en door de focus van dienstverleners) vooral bezig zijn geweest met rapporteren waarbij de G (het governance-aspect) van het project meer aandacht had mogen krijgen? De integratie van het ESG-beleid, het uitstippelen van de duurzaamheidsstrategie alsook de dubbele materialiteitstoets, behoren in wezen tot het takenpakket en de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur. Het te verwachten uitstel geeft bedrijven de kans om hier de juiste accenten in te leggen en om de strategische lijnen uit te zetten voor een realistisch ESG-beleid.

Hebben we ook niet geleerd dat de ESG-oefening bij bedrijven – veelal om dezelfde redenen – niet altijd de juridische aandacht heeft gekregen die het verdiende en dat er vooral aandacht werd besteed aan de techniciteit van de materialiteitsoefening en de daaruit volgende rapporteringsverplichtingen?  Nochtans blijft de ESG-oefening in weze een juridische oefening, waarbij het eindproduct van de duurzaamheidsrapportering finaal een juridisch document wordt met mogelijke juridische implicaties en verantwoordelijkheden. De vernieuwde ESG-oefening geeft met andere woorden ook de kans om nu bij het begin te beginnen (met name bij legal en governance) om van daaruit concrete invulling te geven aan deze uitgezette krachtlijnen (en niet omgekeerd).

De onduidelijkheid van de Omnibus-voorstellen brengt ons inziens dan ook nieuwe kansen om aan de slag te gaan met de duurzaamheidsrapportering, vertrekkende vanuit een juridische bril, en rekening houdend met wat bedrijven tot dusver uit deze oefening konden leren, met aandacht voor governance, legal en compliance.

Auteurs:

Yasmina Elbi, Jeroen Raskin

Noot : Gezien de reikwijdte van dit artikel, is een uitvoerige behandeling en bespreking van de ESG-wetgeving op EU-niveau niet mogelijk, maar wordt gefocust op de wijzigingen en impact van de Omnibus-voorstellen. Dit artikel is bijgewerkt tot en met 15 april 2025.


[1] Voorstel voor een richtlijn tot wijziging van de auditrichtlijn, de jaarrekeningrichtlijn, de richtlijn duurzaamheidsrapportage door ondernemingen en de richtlijn passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid – Omnibus I – COM(2025)81; Voorstel tot uitstel van de toepassing van sommige rapportagevereisten in de richtlijn duurzaamheidsrapportage door ondernemingen en de omzettingstermijn en toepassing van de richtlijn passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid – Omnibus I – COM(2025)80 (hierna gezamenlijk: “Omnibus-voorstellen”)

[2] Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 PB L 198 van 22.6.2020 (hierna: Taxonomieverordening”).

[3] Richtlijn (EU) 2022/2464 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 537/2014, Richtlijn 2004/109/EG, Richtlijn 2006/43/EG en Richtlijn 2013/34/EU, met betrekking tot duurzaamheidsrapportering door ondernemingen, PB L 322 van 16.12.2022 (hierna: “CSRD”).

[4] Richtlijn (EU) 2024/1760 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en Verordening (EU) 2023/2859, PB L 2024/1760 van 5.07.2024 (hierna: “CS3D”).

[5] Richtlijn (EU) 2025/794 van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2025 tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 wat betreft de datums waarop lidstaten bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven moeten toepassen (Voor de EER relevante tekst).

Delen