Partnerblog
Met de inwerkingtreding van Boek 9, titel 1 “Persoonlijke zekerheden” van het nieuw Burgerlijk Wetboek per 1 januari 2026 kregen de persoonlijke zekerheden een update.
Een van de meest in het oog springende vernieuwingen is zonder twijfel de wettelijke codificatie van de autonome garantie, waaronder de bankgarantie. Dit instrument, dat in de praktijk al decennialang een sleutelrol speelt in commerciële transacties, zeker ook in de context van internationaal actieve groepen, krijgt voor het eerst een uitdrukkelijke wettelijke regeling in ons nationaal recht mét een duidelijke bevestiging van zijn kernkenmerken: autonomie, abstractie en onmiddellijke betaalverplichting. Ook de figuur van de patronaatsverklaring, als ‘letter of comfort’ of ’cash deficiency’ of analoge verbintenissen courant in de praktijk maar tot voor kort zonder specifieke wettelijke basis naar Belgisch recht, kreeg een vermelding.
Tegelijk grijpt de wetgever de hervorming aan om ook de klassieke borgtocht te hertekenen. Onder de nieuwe benaming “accessoire persoonlijke zekerheid” wordt dit rechtsfiguur strakker afgelijnd, beter gestructureerd en voorzien van bijkomende beschermingsmechanismen. Het onderscheid tussen de borgtocht en de autonome garantie wordt daarmee scherper dan ooit en laat weinig ruimte voor hybride of onduidelijke constructies.
Deze bijdrage belicht de belangrijkste krachtlijnen van de nieuwe regeling:
- algemene regels gemeen aan alle persoonlijke zekerheden
- codificatie van de autonome garantie
- gevolgen voor de borgtocht
- korte bespreking van de andere persoonlijke zekerheden
- en waarom is nauwkeurige contractuele redactie voortaan geen luxe, maar een noodzaak?
De bepalingen van Boek 9 zijn daarbij grotendeels van aanvullend recht, behalve voor consumenten (waarop we in deze bijdrage niet zullen ingaan). Het beginsel van de wilsautonomie blijft dus grotendeels behouden.
Hoewel Boek 9 geen revolutie ontketent, heeft de hervorming wel directe gevolgen voor bestaande zekerheidsdocumentatie: onduidelijke formuleringen worden sneller herleid tot een borgtocht, hybride constructies verliezen hun werking en standaardclausules verdienen herlezing
Een gemeenschappelijke “stam” voor alle persoonlijke zekerheden
De wetgever creëert voor het eerst een horizontaal kader dat geldt voor alle persoonlijke zekerheden waaronder de borgtocht, maar ook op hoofdelijkheid tot zekerheid, uitvoeringssterkmaking, bindende patronaatsverklaring en autonome garantie.
Deze “stam” vertrekt expliciet vanuit de risicopositie van de zekerheidssteller: zekerheidsstelling wordt niet vermoed, moet berusten op een duidelijke wilsuiting en wordt restrictief geïnterpreteerd. Tegelijk bevestigt de wetgever de autonomie van de zekerheidsverhouding ten opzichte van de hoofdschuld, onder meer door toe te laten dat een persoonlijke zekerheid ontstaat zonder instemming van de hoofdschuldenaar en door de expliciete erkenning van onderzekerheden. De algemene regels verhogen zo de rechtszekerheid, maar leggen tegelijk een verhoogde verantwoordelijkheid bij het opstellen van het zekerheidsdocument.
Wettelijke verankering van de autonome garantie (zoals de bankgarantie)
Autonome garantie: bevestiging van de praktijk, maar scherpere grenzen
Sinds 1 januari 2026 beschikt de autonome garantie — waaronder de bankgarantie — voor het eerst over een uitdrukkelijke wettelijke basis in het Belgisch recht. Waar dit instrument tot nu toe voornamelijk steunde op contractuele praktijk, internationale regels (zoals de URDG 758) en rechtspraak, kiest de wetgever nu voor een duidelijke codificatie in Boek 9 van het Burgerlijk Wetboek. Daarmee wordt geen breuk gemaakt met de bestaande praktijk, maar wel een normatief kader gecreëerd dat de kernprincipes van de autonome garantie bevestigt en verfijnt.
Centraal staat de expliciete erkenning van het autonome en abstracte karakter van de garantie. De verbintenis van de zekerheidssteller staat volledig los van de onderliggende gewaarborgde verbintenis tussen schuldeiser en hoofdschuldenaar. Zodra de begunstigde een afroep doet die formeel beantwoordt aan de voorwaarden van de autonome garantie, is de zekerheidssteller gehouden tot betaling. Eventuele betwistingen over de uitvoering of geldigheid van de gewaarborgde verbintenis zijn daarbij irrelevant. Het klassieke adagium “pay first, argue later” krijgt zo een duidelijke wettelijke verankering.
De wet onderstreept bovendien het strikt formele karakter van de rol van de zekerheidssteller (in veel gevallen een bank die de garantie stelde). De beoordeling bij een afroep beperkt zich tot de vraag of de voorgelegde documenten en verklaringen beantwoorden aan de in de autonome garantie gestelde regels. Een inhoudelijke toetsing van het onderliggende geschil of bezwaren van de hoofschuldenaar zijn uitdrukkelijk uitgesloten. Dit versterkt de voorspelbaarheid en snelheid van de autonome garantie als zekerheidsinstrument, maar verlegt tegelijk het risico naar de opdrachtgever.
Ook procedureel brengt Boek 9 belangrijke verduidelijkingen. Indien de autonome garantie geen specifieke termijnen bevat, moet de zekerheidssteller binnen zeven werkdagen na ontvangst van de afroep overgaan tot betaling, tenzij de zekerheidssteller binnen die termijn gemotiveerd weigert, onder meer wegens een manifest abusief of bedrieglijk verzoek. Daarnaast bevestigt de wet het fatale karakter van vervaltermijnen: bij gebrek aan een tijdige en geldige afroep dooft de garantie definitief uit. Dit benadrukt het belang van een nauwkeurige opvolging van termijnen door de begunstigde.
Wat de overdraagbaarheid betreft, maakt de wet een helder onderscheid. De overdracht van de garantie zelf vereist de instemming van de zekerheidssteller, terwijl de overdracht van het recht op betaling (na afroep van de garantie) in beginsel wel mogelijk blijft. Na betaling beschikt de zekerheidssteller over een eigen regresvordering, die wettelijk wordt versterkt door een subrogatierecht. Op dat ogenblik kan de opdrachtgever wél alle verweermiddelen ontlenen aan de gewaarborgde verbintenis, wat het evenwicht tussen snelheid en rechtsbescherming herstelt — zij het ex post.
En wat met de borgtocht? Wat is daar veranderd?
Borgtocht: minder flexibiliteit, meer bescherming
De borgtocht werd in Boek 9 van het nieuw Burgerlijk Wetboek gemoderniseerd en herdoopt tot “accessoire persoonlijke zekerheid”. De klassieke uitgangspunten blijven behouden, maar de wetgever brengt meer structuur, duidelijkheid en bescherming in een rechtsfiguur die in de praktijk vaak aanleiding gaf tot interpretatiegeschillen.
Een kernkeuze van de wetgever is dat elke persoonlijke zekerheidsstelling bij twijfel wordt vermoed een borgtocht te zijn, tenzij uitdrukkelijk en ondubbelzinnig anders is overeengekomen. Bij twijfel is het voortaan altijd een borgtocht. Constructies die in de praktijk werden omschreven als een “borgtocht op eerste verzoek” of een “autonome borgtocht” verliezen daarmee hun hybride en ambigu karakter. Bij onduidelijke formuleringen zal de rechter moeten terugvallen op de kwalificatie als borgtocht, die in beginsel gunstiger is voor de zekerheidssteller. Dit vermoeden maakt nauwkeurige contractuele redactie essentieel om herkwalificatie te vermijden.
De wet erkent voortaan uitdrukkelijk de borgtocht voor alle schuldvorderingen (voorheen de “borgtocht voor alle sommen”), maar koppelt hieraan een strikte geldigheidsvoorwaarde. De borgtocht voor alle sommen moet steeds een maximumbedrag vermelden waarvoor de borg zich verbindt. Dit betekent “geen plafond = ongeldige borgtocht”. Deze vereiste sluit aan bij de systematiek van de Pandwet (voor zover de Wet Financiële Zekerheden niet speelt) en de Hypotheekwet en verhoogt de transparantie en voorspelbaarheid van de verbintenis van de borg, ook vanuit het perspectief van diens (andere) schuldeisers.
Daarnaast verduidelijkt Boek 9 een aantal aspecten die in de praktijk vaak contractueel werden geregeld, maar nu wettelijk worden verankerd. Zo wordt het kader inzake de opzegbaarheid van borgtochten van onbepaalde duur verduidelijkt, deze kunnen worden opgezegd met een opzegtermijn van 45 dagen (tenzij een kortere termijn is overeengekomen), waarna de borg niet langer aansprakelijk is voor nieuwe schulden die de hoofdschuldenaar dan aangaat, maar in principe wel gebonden blijft voor al dan niet opeisbare schulden die voor de opzegging zijn ontstaan . Ook wordt expliciet bepaald welke bedragen door de borg worden gedekt, waaronder hoofdsom, interesten en kosten.
Ook de verhouding tussen meerdere borgen wordt wettelijk gestructureerd. Indien meerdere borgen zich verbinden tot dezelfde schuld, zijn zij — binnen de grenzen van hun verbintenis — onderling hoofdelijk verbonden. Nieuw is dat de borg hierbij het recht van schuldsplitsing verliest, een uitsluiting die vroeger vaak contractueel werd voorzien maar nu van rechtswege geldt.
Verder wordt de informatieplicht van de schuldeiser expliciet versterkt. De schuldeiser moet de hoofdschuldenaar vooraf in gebreke stellen en de borg daarvan in kennis brengen. Deze verplichting past in het beschermingskarakter van Boek 9 en bevestigt dat de borg niet louter passief mag worden blootgesteld aan een oplopend risico zonder tijdige informatie.
Na betaling beschikt de borg over een eigen regresrecht ten aanzien van de hoofdschuldenaar, ondersteund door een wettelijk verankerd subrogatierecht. De wet kwalificeert deze subrogatie uitdrukkelijk als een zekerheidsmechanisme dat het regres van de borg moet versterken, wat de rechtspositie van de borg na betaling aanzienlijk verduidelijkt.
De borgtocht blijft aldus een accessoire persoonlijke zekerheid, maar wordt strakker omlijnd en beter beschermd. De nieuwe regeling dwingt partijen tot duidelijke keuzes en precieze formuleringen en scherpt het onderscheid met de autonome garantie verder aan. In het nieuwe wettelijke kader is er minder ruimte voor creatieve tussenfiguren, maar meer rechtszekerheid voor alle betrokken partijen.
Wat met de andere zekerheidsmechanismen?
Alternatieve zekerheden: geen achterpoortjes meer
Naast de autonome garantie en de borgtocht besteedt Boek 9, titel 1 ook expliciete aandacht aan een aantal zekerheidsmechanismen die in de praktijk vaak werden gebruikt als “alternatief” voor de klassieke borgtocht, maar waarvan het juridisch statuut tot voor kort minder scherp omlijnd was. Het gaat in het bijzonder om de hoofdelijkheid tot zekerheid, de sterkmaking tot uitvoering en de (bindende) patronaatsverklaring.
Hoofdelijkheid tot zekerheid
De hoofdelijkheid tot zekerheid wordt voor het eerst uitdrukkelijk gedefinieerd in het Burgerlijk Wetboek. Het gaat om het geval waarin een persoon zich tegenover de schuldeiser verbindt als hoofdelijke mede-schuldenaar, voor een schuld die haar economisch niet aanbelangt. In de praktijk werd deze techniek vaak gebruikt om de beschermingsregels van de borgtocht te vermijden.
Boek 9 doorprikt die benadering. Hoewel de verbintenis extern als hoofdelijkheid blijft gelden, wordt de hoofdelijkheid tot zekerheid in de interne verhouding gelijkgesteld met een borgtocht. De zekerheidssteller beschikt dus over regres- en subrogatierechten, maar wordt tegelijk onderworpen aan de gemeenschappelijke regels van Boek 9.
Sterkmaking tot uitvoering
De sterkmaking tot uitvoering, hoewel niet expliciet gedefinieerd in Boek 9, wordt uitdrukkelijk erkend als een persoonlijke zekerheid die ertoe strekt de uitvoering van de verbintenis van een derde te waarborgen. De sterkmaking tot uitvoering blijft een accessoire verbintenis, maar onderscheidt zich van de borgtocht doordat de omvang van de aansprakelijkheid niet noodzakelijk samenvalt met die van de hoofdverbintenis. Ook hier beschikt de sterkmaker na uitvoering over een regresrecht, versterkt door subrogatie.
Patronaatsverklaring
De patronaatsverklaring — vaak aangeduid als letter of comfort — wordt in Boek 9 voor het eerst wettelijk gedefinieerd. De wetgever viseert daarbij uitsluitend de bindende patronaatsverklaring, met andere woorden: de toezegging waarbij een derde zich er juridisch toe verbindt ervoor te zorgen dat de hoofdschuldenaar zijn verbintenissen zal nakomen. Niet-bindende patronaatsverklaringen — zoals loutere beleidsverklaringen, intentieverklaringen of informatieverstrekking — blijven buiten het toepassingsgebied van Boek 9. Zij behouden dus hun nut als comfortinstrument, zonder automatisch als persoonlijke zekerheid te worden gekwalificeerd.
Als het economisch een zekerheid is, dan is het juridisch ook een zekerheid.
En nu?
Boek 9 brengt geen breuk met de commerciële praktijk, maar het verschuift wel de juridische hefboom. De impact zit minder in wat voortaan verboden is, dan in wat niet langer vaag kan blijven. Voor wie dagelijks werkt met zekerheden, dringen zich drie kernvragen op.
Wat verandert niet?
De hervorming bevestigt in grote mate de bestaande praktijk. Autonome garanties (waaronder bankgaranties) behouden hun autonome, abstracte en strikt formele karakter. De borgtocht blijft een accessoire zekerheid en de wilsautonomie blijft het uitgangspunt, aangezien de meeste bepalingen van aanvullend recht zijn. Ook alternatieve zekerheidsmechanismen zoals patronaatsverklaringen en sterkmakingen blijven bruikbaar, mits zij correct worden gekwalificeerd en opgesteld.
Met andere woorden: de gekende instrumenten blijven beschikbaar, en wie ze correct hanteerde, zal zelden fundamenteel moeten bijsturen.
Wat in principe ook niet verandert, is de toepassing van het oude recht op vóór 1 januari 2026 tot stand gekomen persoonlijke zekerheden. Partijen kunnen uiteraard wel de nieuwe bepalingen van toepassing verklaren (vrijwillige opt-in).
Wat vraagt wél actie?
De hervorming verhoogt de lat voor contractuele precisie. Concreet verdient het aanbeveling om:
- standaardtemplates voor borgtochten, bankgaranties en comfort letters te herzien in het licht van de nieuwe definities en vermoedens van Boek 9;
- bestaande zekerheden te screenen op kwalificatie- en geldigheidsrisico’s, in het bijzonder waar gebruik werd gemaakt van hybride formuleringen (zoals “borgtocht op eerste verzoek”);
- na te gaan of borgtochten voor alle schuldvorderingen steeds een duidelijk maximumbedrag vermelden;
- bij autonome garanties expliciet vast te leggen welke regels gelden (wet, URDG, contractuele afwijkingen), om interpretatiegeschillen te vermijden.
Voor financiële instellingen en ondernemingen met een omvangrijke zekerheidsportefeuille is dit geen louter academische oefening, maar een kwestie van risicobeheer.
Waar zit het grootste herkwalificatierisico?
Het grootste risico schuilt niet in nieuwe verplichtingen, maar in onduidelijke kwalificaties. Boek 9 hanteert een duidelijke regel: bij twijfel wordt een persoonlijke zekerheid als borgtocht gekwalificeerd. Dat kan verstrekkende gevolgen hebben voor de afdwingbaarheid, de omvang van de verbintenis en de beschikbare verweermiddelen.
In het bijzonder verdienen aandacht:
- groepsstructuren waarin moedervennootschappen zich verbinden voor schulden van dochters;
- comfort letters en patronaatsverklaringen die verder gaan dan louter intenties, maar waarvan de bewoordingen geen duidelijke keuze maken;
- hoofdelijkheid tot zekerheid die extern als hoofdelijkheid wordt gepresenteerd, maar intern als borgtocht wordt behandeld.
In al deze gevallen wordt vaagheid voortaan niet meer geneutraliseerd door de praktijk, maar door de wet en dat meestal in het nadeel van de schuldeiser.
Louise Vanherreweghe en Stefaan Van Dyck staan ondernemingen, financiële instellingen en investeerders bij bij het herzien van zekerhedentemplates, het screenen en aanpassen van bestaande contracten en het identificeren van risico’s binnen groepsstructuren en comfort letters. Zo zorgen zij ervoor dat persoonlijke zekerheden niet alleen aansluiten bij de praktijk, maar ook juridisch correct en afdwingbaar blijven onder het nieuwe Boek 9.
