Aandacht! Aandacht! Nieuwe regels voor persoonlijke zekerheden

Partnerblog

Met de invoering van boek 9, titel 1 “Persoonlijke zekerheden” in het Burgerlijk Wetboek zet de wetgever een grote stap richting modernisering van het zekerhedenrecht. Boek 9 herneemt en wijzigt de bepalingen van de klassieke borgtocht en codificeert ook enkele bestaande figuren zoals patronaatsverklaringen, garanties en hoofdelijkheid tot zekerheid.

Inleiding

Waarom deze hervorming?

De insteek van de wetgever bestaat erin om de bestaande wetgeving te moderniseren en meer gebruiksvriendelijker te maken voor consumenten en dit in een coherent kader dat aansluit bij de Europese trends en praktijken.

Wat betekent de invoering van Boek 9 concreet voor u?

De bepalingen van Boek 9 treden in werking op 1 januari 2026. Persoonlijke zekerheden die na 1 januari 2026 worden gevestigd, vallen dus automatisch onder het toepassingsgebied van deze wet, maar de contractpartijen kunnen hier contractueel van afwijken. Bijvoorbeeld:

  • Met instemming van de contractpartijen kan de oude wet worden toegepast op nieuwe persoonlijke zekerheden gevestigd na 1 januari 2026. De enige uitzonderingen hierop zijn de regels van dwingend recht uit Boek 9 die gerespecteerd dienen te worden.
  • Bij overeenstemming tussen de contractspartijen kan de nieuwe wet ook toegepast worden op persoonlijke zekerheden gevestigd werden vóór de inwerkingtreding van Boek 9.

Op basis van de wet van 5 juni 2025 tot invoering van Boek 9 in het nieuwe Burgerlijk Wetboek en de wetsvoorstellen bekijken we verschillende praktische situaties waarin de nieuwe wet afwijkt van de huidige regels, wat een impact kan hebben op uw dagelijkse activiteiten.

Situatie 1: Een onduidelijke formulering in een contract – borgtocht of garantie?

Huidige wetgeving:

Stel dat een ondernemer een document ondertekent waarin hij een “garantie op eerste verzoek” verstrekt. Volgens de oude wet moest de rechtbank bepalen of het om een borgstelling dan wel een autonome garantie ging. Er bestond geen wettelijk vermoeden, wat vaak leidde tot rechtsonzekerheid en geschillen, aangezien de borgstelling en autonome garantie een verschillende uitwerking kennen.

Nieuwe wet:

De wet introduceert een vermoeden van borgstelling (artikel 9.1.11): elke persoonlijke zekerheid [DLA1] wordt geacht een borgstelling te zijn, tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen. De autonomie van de partijen blijft intact, maar in geval van twijfel moet de rechter kiezen voor de borgstelling. Dit versterkt de rechtszekerheid en voorkomt dat een partij zonder het te weten een veel zwaardere verplichting op zich neemt.

Situatie 2: Een borgtocht voor onbepaalde/bepaalde duur – opzegbaar? 

Huidige wetgeving:

Bijvoorbeeld: een persoon verbindt zich ertoe borg te staan voor de toekomstige schulden van een vennootschap. In het oude Burgerlijk Wetboek bestond er geen expliciete wettelijke basis die hem toelaten deze verbintenis eenzijdig op te zeggen. De borg bleef vaak gebonden, zelfs na het einde van de relatie met de schuldenaar.

Nieuwe wet:

Boek 9 bepaalt dat een borgstelling voor onbepaalde tijd altijd kan worden opgezegd met inachtneming van een redelijke opzegtermijn (artikel 9.1.19). Niemand kan voor onbepaalde tijd gebonden zijn. De borg blijft aansprakelijk voor schulden die vóór het einde van de opzegtermijn zijn aangegaan.

Als de borgstelling voor een bepaalde duur is overeengekomen, blijft de borg aansprakelijk voor de schulden die vóór het verstrijken van de termijn zijn aangegaan, ook als deze nog niet opeisbaar zijn. De partijen kunnen echter anders overeenkomen, bijvoorbeeld dat de verplichtingen van de borg bij het verstrijken van de termijn eindigen ongeacht of deze al opeisbaar zijn. In dat geval is de borg volledig vrijgesteld en kan hij niet worden aangesproken, zelfs niet voor schulden die tijdens de duur van de borgstelling zijn aangegaan.

Situatie 3: Consumentenborg voor een vriend – bescherming bij disproportionaliteit

Huidige wetgeving:

De wet van 3 juni 2007 beschermde de “kosteloze borg”. Deze wet beoogde de bescherming van natuurlijke personen-die zich borg hadden gesteld door middel van strenge inhoudelijke en vormelijke vereisten, zoals bijvoorbeeld een handgeschreven vermelding. Bij een kennelijke wanverhouding tussen de financiële draagkracht van de borg en zijn verbintenis, was de sanctie de nietigheid van de overeenkomst.

Nieuwe wet:

Het begrip “kosteloze borg” verdwijnt en wordt vervangen door “consument” (art. 9.1.42). Een consument wordt gedefinieerd als elke natuurlijke persoon die handelt buiten zijn beroepsactiviteit. Het is niet langer relevant of de borg economisch voordeel haalt uit de borgstelling: zolang deze niet beroepsmatig wordt aangegaan, geldt de bescherming.

Wat betreft de vormelijke vereisten vervalt de handgeschreven formulering maar dient de borgstelling nog steeds opgenomen te worden in een afzonderlijk geschrift. Ook voegt de wet enkele bijkomende beschermingen toe voor de borgsteller, zoals:

  • Precontractuele informatieplicht voor de schuldeiser (art. 9.1.44)

In aanvulling op de precontractuele informatieverplichting uit het verbintenissenrecht, moet de schuldeisers de beoogde zekerheidssteller inlichten over de omvang, het algemene gevolg van de beoogde zekerheid en de bijzondere risico’s waaraan de zekerheidssteller volgens de voor de schuldeiser toegankelijke informatie kan worden blootgesteld in het licht van de financiële situatie van de schuldenaar.

  • Verplichte vermelding van een maximumbedrag en beperking van accessoria tot 50% van de hoofdsom (art. 9.1.46)

Het contract moet het maximumbedrag vermelden, zodat de borgsteller-consument weet tot welk bedrag hij zich verbindt. Bovendien heeft de wetgever ook willen verhinderen dat de gehoudenheid ongezien zou aangroeien. Mede om die reden bepaalt de nieuwe regeling dat de accessoria van de gewaarborgde schuldvordering, zoals de interesten en kosten, niet groter kunnen zijn dan 50% van de hoofdsom op het ogenblik waarop de borgsteller-consument wordt aangesproken.

  • Sanctie bij wanverhouding: rechterlijke matiging i.p.v. nietigheid (art. 9.1.47).

Wat betreft de kennelijke wanverhouding tussen de financiële draagkracht van de borg en zijn verbintenis werd de sanctie ook gewijzigd. Een consument die zich borg stelt voor een bedrag dat veel hoger is dan zijn vermogen en inkomsten, kan onder de nieuwe wet vragen om zijn verbintenis te herleiden tot het bedrag dat hij kon voldoen op het ogenblik van de zekerheidsstelling. Onder de huidige wetgeving was de borgtocht nietig – een veel zwaardere en minder flexibele oplossing.

Situatie 4: Bankgarantie op eerste verzoek – voortaan gebaseerd op een wettelijke grondslag

Huidige wetgeving:

Autonome garanties, zoals bankgaranties, waren niet wettelijk geregeld het in Oude BW. Hun geldigheid berustte op rechtspraak en internationale gebruiken. De wetgever achtte het toch wenselijk deze rechtsfiguur te codificeren, aangezien deze toch meer en meer ingang vindt in de nationale context.

Nieuwe wet:

Hoofdstuk 3 (art. 9.1.35 e.v.) geeft de autonome garantie een duidelijke wettelijke basis. De garant gaat een zelfstandige verbintenis aan, zonder het accessoire karakter van borgtocht. Bijgevolg is de autonome garantie niet afhankelijk van de geldigheid, de nadere regels, de omvang en het voortbestaan van de gewaarborgde verbintenis. De wet regelt onder meer:

  • De voorwaarden voor een geldige afroep.
  • Bescherming tegen frauduleuze verzoeken (art. 9.1.37).
  • Het recht op terugvordering bij onterechte betaling (art. 9.1.38).
  • De termijn (art. 9.1.39) en de overdracht (art. 9.1.40).

Situatie 5: Borgstelling met meerdere borgen – wie betaalt wat?

Huidige wetgeving:

Bij meerdere borgen gold het zogenaamde voordeel van schuldsplitsing (art. 2026 Oud BW): elke borg kon eisen dat de schuldeiser zijn vordering splitst en de borg bijgevolg slechts gehouden kon zijn voor een deel van de gevorderde schuld. Bijvoorbeeld: twee borgen verbinden zich elk voor maximum €100 voor een schuld van €100. Onder de oude regeling kon elke borg eisen dat hij slechts €50 betaalt. In de praktijk werd het voordeel van schuldsplitsing meestal contractueel uitgesloten.

Nieuwe wet:

Artikel 9.1.21 schrapt deze verdedigingsgrond: de borgen zijn hoofdelijk aansprakelijk jegens de schuldeiser. De schuldeiser kan het volledige bedrag vorderen van één enkele borg, binnen de grenzen van diens verbintenis. Het accessoire karakter blijft behouden: de borg kan pas worden vervolgd nadat de hoofdschuldenaar in gebreke is gebleven (artikel 9.1.22).

Voorbeeld:
Hernemen we hetzelfde voorbeeld. Er zijn twee borgen die zich elk borg stellen voor maximum €100 voor een schuld van €100. Onder de nieuwe regeling kan de schuldeiser één borg aanspreken voor het volledige bedrag van €100 zonder dat de borgstellers schuldsplitsing kunnen vorderen. Niettemin is er ook sprake van onderling verhaal tussen de borgen. Het wetsvoorstel zelf haalt ook enkele voorbeelden aan:

  • “Hebben A en B zich beiden borg gesteld voor maximum €100 voor een schuld van €100 en heeft A de schuldeiser voldaan, dan heeft hij een verhaalsrecht op B tot beloop van €50, ongeacht het grotere belang dat één van de borgen zou hebben bij het voldoen van de schuld.”
  • “Indien er meerdere borgen zijn, maar wanneer deze in verschillende mate verbonden zijn, dan wordt de evenredigheidsregel toegepast. Stel dat A zich borg heeft gesteld voor maximum €50 en B voor maximum €100 voor een schuld van €90. In dat geval wordt de bijdrageplicht niet “per hoofd” berekend (in casu elk €45), maar in evenredigheid tot ieders gehoudenheid (A: €30 en B: €60).”

Bovenstaande geldt ook wanneer sommigen borgen zich op een onbepaalde wijze zeker hebben gesteld, met deze correctie dat ze tot niet meer gehouden kunnen zijn dan het eindsaldo van de gewaarborgde schuld (artikel 9.1.26).

  • “Stel dat, voor een schuld van €200, A zich borg heeft gesteld voor maximum €60, B voor maximum €120 en C op onbeperkte wijze. De som van het maximum van de gewaarborgde bedragen is €380. De relatieve bijdrageplicht bedraagt dan: A (€60/€380), B (€120/€380) en C (€200/€380).”
  • “Stel nu dat de schuld uiteindelijk slechts €100 bedraagt. In dat geval wordt het dekkingsrisico voor B beperkt tot €100. Het zou immers onbillijk zijn in die hypothese om de borg voor een vaststaand bedrag een groter risico te doen lopen dan een onbeperkte borg. De relatieve bijdrageplicht is dan: A (€60/€260), B (€100/€260) en C (€100/€260).”

Is uw onderneming klaar om de nieuwe wetgeving toe te passen?

Bedrijven, kredietverstrekkers en professionals die vaak met persoonlijke zekerheden te maken hebben, moeten hun standaardclausules en overeenkomsten vóór 1 januari 2026 herzien om ervoor te zorgen dat ze in overeenstemming zijn met de bepalingen van dwingend recht van nieuwe wetgeving, met name de definities en de regels omtrent de consumentenborg.

Indien u bij het herzien en bijwerken van uw overeenkomsten advies nodig heeft dan zijn de advocaten van DLA Piper steeds bereid u hierover bij te staan.

Auteurs:

Gauthier Deschepper, Jan De Beul

Delen