Energierecht: bevoegdheids- en verantwoordelijkheidsverdeling

Partnerblog

Wat omvat “energierecht” inhoudelijk?

Energierecht wordt in de rechtsleer omschreven als “de geïnstitutionaliseerde ordening van het menselijk handelen in de samenleving met betrekking tot energie”. Het is een secundaire, sectorspecifieke rechtstak die regels uit diverse domeinen integreert, zoals bestuursrecht, fiscaal recht, milieurecht, Europees recht en internationaal verdragsrecht.

De snelle groei van regelgeving vloeit in het bijzonder voort uit:
(i) de liberalisering van de elektriciteits- en gasmarkten sinds eind jaren ’90 en
(ii) klimaat-, energie‑efficiëntie- en hernieuwbare‑energie‑regelgeving.

Deze regels vormen samen de kern van het energierecht; daarnaast blijven algemene regels (mededinging, consumentenbescherming, milieurecht, fiscaliteit) belangrijk voor de energiesector.

Bevoegdheids- en verantwoordelijkheidsverdeling EU/België


EU

Op EU‑niveau berust de kernbevoegdheid op artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU): de Unie kan maatregelen nemen om de werking van de energiemarkt, bevoorradingszekerheid, energie‑efficiëntie, besparing, duurzame energie en interconnectie van netten te bevorderen, binnen grenzen die o.m. de nationale energiemix respecteren.

Sommige energiebeleidsterreinen worden op grond van artikel 194 VWEU een gedeelde bevoegdheid, wat duidt op een stap in de richting van een gemeenschappelijk energiebeleid. Niettemin behoudt elke lidstaat het recht om “de voorwaarden voor de exploitatie van zijn energiebronnen […], […] zijn keuze tussen verschillende energiebronnen [en] de algemene structuur van zijn energievoorziening [te bepalen]” (art. 194, lid 2, VWEU).

In december 2019 presenteerde de Europese Commissie de “Europese Green Deal” — de routekaart die ervoor moet zorgen dat Europa uiterlijk in 2050 het eerste klimaatneutrale continent is. De routekaart moet de duurzaamheid en het concurrentievermogen van de EU vergroten en waarborgen dat de transitie rechtvaardig en inclusief is.

Een van de toezeggingen van de EU is het verminderen van de uitstoot aan broeikasgassen, in het kader van de noodzakelijke verminderingen door alle ontwikkelde landen als groep. In het “Stappenplan Energie 2050” onderzoekt de Commissie welke uitdagingen samenhangen met het realiseren van een koolstofarme EU zonder dat dit ten koste gaat van de continuïteit van de energievoorziening en het concurrentievermogen.

Euratom

Volgens het EGA-Verdrag van 1957 werd de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) opgericht als afzonderlijke internationale organisatie, naast de latere Europese Unie.

De bevoegdheden van Euratom worden evenwel uitgeoefend door de organen van de EU, met name het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Hof van Justitie. Zoals in artikel 2 van het EGA‑Verdrag uiteengezet, heeft Euratom tot taak voorwaarden te scheppen voor de snelle totstandkoming en groei van de kernenergie‑industrie, ter verhoging van de levensstandaard in de lidstaten en de ontwikkeling van externe betrekkingen.

Naast de in artikel 2 EGA‑Verdrag opgesomde materiële taken beschikt Euratom over normatieve bevoegdheden. De organisatie kan eigen initiatieven ontwikkelen, aanbevelingen en adviezen formuleren en financiële of andere steun verlenen. Tevens kunnen via richtlijnen en verordeningen aanvullende juridische verplichtingen worden opgelegd aan lidstaten, burgers en ondernemingen.

De voornaamste regelgevende actiedomeinen zijn:

  • gemeenschappelijke regels inzake nucleaire veiligheid;
  • gemeenschappelijke regels inzake beheer van splijtstoffen en radioactief afval;
  • maatregelen ter bescherming van de bevolking tegen nucleaire straling.

Deze bevoegdheden onderscheiden zich van de algemene energiebevoegdheid onder artikel 194 VWEU, die losstaat van kernenergie.

België

Binnen België is energiebeleid een “gedeelde exclusieve bevoegdheid”: artikel 6, § 1, VII van de Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen (BWHI) maakt een tweedeling tussen gewestelijke aspecten van energie (ruim ingevuld) en federale aangelegenheden die wegens technische/economische ondeelbaarheid een nationale aanpak vereisen (studies bevoorrading, kernbrandstofcyclus, grote infrastructuren voor productie/stockage/vervoer, tarieven/prijsbeleid).

In de rechtsleer wordt dit omschreven als een stelsel van gedeelde exclusieve bevoegdheden: elk niveau is exclusief voor zijn deelaspect, maar samen bestrijken zij de volledige aangelegenheid energie. Het Grondwettelijk Hof kwalificeerde in zijn arrest van 14 november 2024 het energiebeleid expliciet als een gedeelde exclusieve bevoegdheid. De lijst van gewestelijke aspecten in artikel 6, § 1, VII BWHI is niet‑exhaustief; de federale lijst daarentegen is limitatief. De residuaire energiebevoegdheden behoren, zolang artikel 35 van de Grondwet niet in werking is, principieel toe aan de federale overheid en dekken o.m. nationale aspecten van het energiebeleid en energiebevoegdheden in de mariene gebieden. In de praktijk worden de gewestelijke aspecten dus zeer ruim geïnterpreteerd, zodat de ruimte voor residuaire federale bevoegdheid beperkt blijft.

Uit de systematiek en de samenvattende beschrijvingen blijkt de volgende functionele tweedeling:

  • Gewesten zijn vooral bevoegd voor: distributienetten elektriciteit (≤ 70 kV) en gas, alle warmtenetten en koudenetten, rationeel energiegebruik, nieuwe/hernieuwbare energiebronnen en terugwinning van energie. De gewestelijke bevoegdheid voor warmtenetten is niet beperkt tot kleinschalige of distributiegerichte toepassingen.

  • De federale overheid is daarentegen bevoegd voor: opslag en vervoer van aardgas via het vervoersnet, productie van elektriciteit uit fossiele brandstoffen en kernenergie, hoogspanningsnetten (> 70 kV), tarieven en prijsbeleid (inclusief leveringsprijzen, bijzondere tarieven en prijzen van andere energievormen en warmte), nationale bevoorradingszekerheid en offshore‑energie in de mariene gebieden.

Deze opsplitsing verklaart waarom energiebeleid intens coöperatief federalisme vergt.

De regulatoren


De CREG

De CREG is een autonoom organisme met rechtspersoonlijkheid, opgericht door de Elektriciteitswet en de Gaswet, belast met een dubbele taak: een raadgevende taak ten behoeve van de overheid inzake de organisatie en werking van de elektriciteits- en gasmarkt, en een algemene taak van toezicht en controle op de toepassing van de desbetreffende wetten en reglementen. Deze opdracht en doelstellingen (interne markt, mededinging, consumentenbescherming, netontwikkeling, grensoverschrijdende capaciteit, duurzaamheid en integratie van hernieuwbare energie) zijn uitdrukkelijk verankerd in de Elektriciteitswet en de Gaswet en worden bevestigd in rechtspraak en doctrine.

De raadgevende taak omvat advies- en voorstelbevoegdheden (bv. leveringsvergunningen gas, vergunningen voor productie-installaties, procedures voor nieuwe productiecapaciteit, ontwikkelingsplan Elia) en een ruime studiebevoegdheid, zowel op eigen initiatief als op verzoek van de minister of de gewesten. De toezicht- en controlebevoegdheid bestrijkt netbeheer, algemene marktwerking, markttransparantie, mededinging en prijscontrole. Specifiek is de CREG federaal bevoegd voor transmissienetten > 70 kV, gasvervoersnet, opslag- en LNG-installaties, inclusief tariefbevoegdheid (tariefmethodologie en goedkeuring van tarieven). Zij houdt toezicht op transparantie en mededinging, controleert naleving door netbeheerders en ondernemingen, past het technisch reglement toe en controleert het, en oefent REMIT-markttoezicht uit in samenwerking met de Belgische Mededingingsautoriteit (BMA) en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA).

Recente wetgeving heeft de CREG bijkomende taken gegeven, onder meer inzake regionale coördinatiecentra (goedkeuring invoering en kosten, toezicht op naleving, gezamenlijke vaststelling van niet-naleving en rapportering aan The European Union Agency for the Cooperation of Energy Regulators (ACER)) en inzake de gedragscode transmissie (regels over aansluitingsprocedures, goedkeuring en controle van documenten, congestiebeheerregels, voorlopige vaststelling transmissietarieven, herindieningsbevoegdheid t.a.v. Elia).
Zij beschikt over dwangmiddelen: bevel tot naleving, administratieve geldboetes en dwangsommen, eventueel beslag en tijdelijk beroepsverbod bij REMIT-inbreuken (Regulation on Wholesale Energy Market Integrity and Transparency, de Europese verordening voor eerlijke en transparante handel in energie), met eigen opsporingsbevoegdheden (officier van gerechtelijke politie). De CREG werkt niet in een energierechtelijk eiland, maar werkt structureel samen met BMA, FSMA en ACER en legt parlementair verantwoording af via begroting, jaarverslagen en gerichte rapportages.

De VREG

De VREG werd in 2001 opgericht als Vlaamse regulator bij de vrijmaking van de elektriciteits- en gasmarkt, met een decretale missie tot “regulering, controle en bevordering van de transparantie” van deze markt in het Vlaamse Gewest. Zij reguleert de toegang tot en het gebruik van de distributienetten en bepaalt de tariefmethodologie en keurt de distributienettarieven voor elektriciteit en gas goed. Op grond van het Energiedecreet omvatten haar taken toezichthoudende en controlerende taken op de naleving van het Energiedecreet, het Energiebesluit, technische reglementen en gedragscodes, evenals marktmonitoring. In haar regulerende rol kan zij onder meer de distributienettarieven vaststellen en, volgens de rechtsleer, administratieve geldboetes opleggen in uitvoering van het Elektriciteitsdecreet.

De VREG behandelt klachten en bemiddelt in geschillen tegen netbeheerders, beheerders van gesloten distributienetten en van warmte‑ en koudenetten; een netbeheerder die toegang wil weigeren of beëindigen, moet eerst een bemiddeling bij de VREG opstarten. Daarnaast heeft de VREG taken inzake de beslechting van geschillen, los van de louter bemiddelende federale Ombudsdienst voor Energie. Zij kent groenestroom‑ en warmte-krachtcertificaten toe, faciliteert de handel erin en beheert de certificaten‑ en handelsdatabanken, inclusief de quotumverplichtingen en groenrapportering, zolang deze niet zijn overgedragen aan het VEKA. De VREG waakt over de certificatenmarkt en is bevoegd voor retributies op het verhandelen van garanties van oorsprong.

De VREG heeft een uitgesproken informerende taak: zij stelt statistieken en gegevens over de elektriciteits‑ en gasmarkt op en publiceert ze en licht relevante marktontwikkelingen toe. Op basis van het Energiedecreet beheert zij de V‑TEST, een wettelijke leveranciersvergelijkingstool die alle publieke aanbiedingen voor kleine elektriciteits‑ en gasafnemers in Vlaanderen vergelijkt, waarbij leveranciers verplicht zijn actuele prijs‑ en contractinformatie aan te leveren. De VREG moet deze vergelijking objectief, volledig en transparant organiseren. Voorts heeft zij een adviserende taak ten aanzien van de Vlaamse overheid en verstrekt zij beleidsadvies en studies over energiemarkt‑ en reguleringskwesties, waaronder bij regelluwe zones en warmte‑ en koudenetten.

Zeer recent werd nu ook op 27 april 2026 het Decreet van 3 april 2026 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en het decreet van 19 april 2024 over de operationalisering van een Vlaamse Nutsregulator, wat betreft energie-efficiëntie gepubliceerd in het Staatsblad.
Dit decreet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2023/1791 inzake energie-efficiëntie en creëert rechtsgronden en verplichtingen om het EE1st-principe toe te passen, onder meer via een verplichting om energie-efficiëntie te beoordelen bij investeringsbeslissingen en via verplichtingen opgelegd aan overheden.
De richtlijn vertrekt vanuit het uitgangspunt dat strategische investeringen in energie-efficiëntie de energievraag op een kosteneffectieve manier kunnen verlagen. 
Dit wordt dus samengevat in het “energie-efficiëntie eerst”-principe (EE1st), dat in alle sectoren en door alle actoren, zowel publieke als private, moet worden toegepast. 

Delen