De maatschap : leven en laten leven

De maatschap : leven en laten leven

Het ondertussen reeds enige tijd ingeburgerde Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (“WVV”) blijft een interessante bron van vraagstukken en reflecties, niet in het minst omwille van de interactie met nieuwe wetgeving.

De recente codificatiedrang van de wetgever zorgt voor een kluwen van overgangsregelgeving, (nog?) niet op elkaar afgestelde wetgeving, heel wat onduidelijkheden en zelfs tegenstrijdigheden, maar uiteraard ook interessante nieuwe perspectieven en contractuele mogelijkheden.

Dit uitgangspunt brengt ons tot enkele reflecties over de maatschap (sinds kort de enige vennootschapsvorm zonder rechtspersoonlijkheid) naar aanleiding van een aantal recente wettelijke initiatieven, die in deze bijdrage kort worden geduid.

Wat is een maatschap?

Het WVV definieert de maatschap als een overeenkomst waarbij twee of meer personen zich verbinden om hun inbrengen in gemeenschap te brengen, met het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.

Een maatschap kan daarbij stil zijn (de ‘stille maatschap’) wanneer wordt overeengekomen dat zij zal worden bestuurd door een of meerdere zaakvoerders, al dan niet vennoten, die handelen in eigen naam en zij kan tevens tijdelijk zijn (de ‘tijdelijke maatschap’ afgekort ‘TM’) wanneer zij  met een welbepaalde opdracht tot voorwerp heeft, voor de tijd dat die die opdracht zalduren.

Het WVV telt slechts een 20-tal artikelen over de maatschap en is ook lang een toonbeeld geweest van contractuele vrijheid die voor diverse doeleinden werd gebruikt (vermogensbeheer, (kortstondige) kapitaaloperaties, aannemersconsortia,…). Dit komt nu stilaan onder druk te staan. We behandelen hieronder de impact van de Wet Hervorming Ondernemingsrecht, de UBO bepalingen, het ‘nieuw’ burgerlijke wetboek en Boek XX WER.

Wet Hervorming Ondernemingsrecht

Een eerste interessante interferentie met de artikelen van het WVV is de Wet van 15 april 2018 houdende de hervorming van het ondernemingsrecht (de zogenaamde “Wet Hervorming Ondernemingsrecht” afgekort “WHO”) die het ‘handelsrecht’ vervangt door het ‘ondernemingsrecht’, en een aantal verplichtingen invoert voor de maatschap.

Afschaffing summa divisio

Hoewel reeds in de jaren 70 gepleit werd om het onderscheid tussen handelaars en niet-handelaars af te schaffen, werd deze summa divisio pas in 2018 vervangen door het vandaag geldende onderscheid tussen ondernemingen en consumenten.

Het begrip onderneming is breder dan het begrip handelaar en daar waar een maatschap vroeger een burgerlijk doel of een handelsdoel had, is zij nu eenvoudig weg een onderneming geworden, hetgeen diverse nieuwe verplichtingen inhoudt voor de maatschap, zoals de KBO-inschrijving, boekhoudkundige verplichtingen, en de veralgemeende hoofdelijkheid.

  1. Inschrijving in de KBO

Naar aanleiding van de WHO wordt een maatschap verplicht om zich in te schrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) vóór de aanvang van haar activiteit(en) (Artikel III.49 WER), op straffe van strafrechtelijke geldboetes.

Over de interpretatie van “de aanvang van hun activiteiten” rees enige onduidelijkheid. Was dit namelijk het ogenblik van oprichting (zoals geldt voor rechtspersonen) of de situatie voorafgaand aan de concrete aanvang van de activiteiten (zoals geldt voor natuurlijke personen).

Deze vraag is bijzonder relevant voor aannemingsbedrijven die zich vaak in een tijdelijke maatschap organiseren in het kader van een openbare aanbesteding.

De kandidaat-maatschappen aan wie de opdracht niet wordt gegund, worden in de regel namelijk onmiddellijk ontbonden.

Het reeds moeten inschrijven in de KBO van een maatschap in dergelijke beginfase, om deze bij niet selectie terug te moeten ontbinden en dus opnieuw te moeten uitschrijven, zonder intussen enige activiteit te hebben verricht, (behoudens het deelnemen aan de openbare aanbesteding) werd ook door Minister van Justitie een brug te ver geacht : “De maatschap die enkel een offerte voorbereidt en die automatisch wordt ontbonden indien de opdracht niet aan de maatschap wordt toebedeeld, heeft echter geen inschrijvingsplicht. Deze maatschap neemt niet deel aan het rechtsverkeer tenzij eenmalig voor het indienen van de offerte, die louter een voorbereidend karakter heeft. Indien de opdracht niet wordt gegund en deze maatschap verder geen andere activiteiten ontwikkelt, wordt er geen maatschappelijk belang gediend met het opleggen van een inschrijvingsplicht.

De inschrijvingsplicht heeft ook belang bij een gerechtelijke procedure. Het ontbreken van de inschrijving leidt namelijk tot de ambtswege ingeroepen onontvankelijkheid van de vordering, die wel regulariseerbaar is. Een maatschap is immers een kwalificatie die aan een samenwerking wordt gegeven en die kan worden gegeven zonder dat partijen zich bewust zijn van de aard van hun samenwerkingsverband (zo kunnen bijvoorbeeld twee vrienden die een bar openen een maatschap vormen, zonder dat ze dit mogelijks zelf weten noch de formaliteiten hebben vervuld). Voor dergelijke gevallen is een regularisatiemogelijkheid niet meer dan correct.

  1. De Boekhoudplicht

Een ander gevolg van de hervorming van het ondernemingsrecht voor de maatschap is de boekhoudplicht (Artikel III.82 §1 WER), zijnde de plicht tot het voeren van een boekhouding en het opstellen van een jaarrekening (al dan niet vereenvoudigd afhankelijk van de omzet van de maatschap), die echter niet moet worden openbaar gemaakt, daar de openbaarmakingsverplichting voor de jaarrekeningen van vennootschappen immers uitsluitend geldt voor vennootschappen mét rechtspersoonlijkheid.

Een ontwerp advies van de Commissie voor boekhoudkundige normen (CBN), stelt dat in principe iedere maatschap een boekhoudplichtige onderneming is en dit omwille van het afgescheiden en eigen vermogen. Er is slechts sprake van een afgescheiden vermogen wanneer dit afgescheiden vermogen een uitkeringsoogmerk heeft of uitkeringen verricht aan de deelnemers van dit vermogen.

In de praktijk zal telkens wanneer er sprake is van een onverdeeldheid, geval per geval moeten worden beoordeeld of al dan niet sprake is van een boekhoudplichtige onderneming.

Deze boekhoudplicht ontstaat, naar analogie met wat geldt voor de inschrijvingsplicht bij de KBO, pas vanaf het ogenblik dat de vennoten een eerste inbreng hebben volgestort in de vennootschap waardoor een afgescheiden vermogen ontstaat en bestaat.

Hoewel het WVV geen bepalingen bevat met betrekking tot het boekjaar van een maatschap, beveelt de Commissie aan om in de maatschapsovereenkomst de begindatum van het eerste boekjaar te vermelden alsmede de afsluitingsdatum van het boekjaar.  

  1. Veralgemeende hoofdelijkheid, maar niet dwingend

Artikel 4.14 WVV stelt dat de schuldeisers wiens schuldvordering voortvloeit uit de activiteit van de vennootschap verhaal kunnen uitoefenen op het volledige vennootschapsvermogen en dat de vennoten ten aanzien van deze schuldeisers persoonlijk en hoofdelijk gehouden zijn met hun eigen vermogen.

De hoofdelijkheid voor schulden van de maatschap geldt bijgevolg als uitgangspunt voor elke maatschap waar dit vroeger enkel gold voor de commerciële maatschappen.

Interessant is wel dat er nieuwe argumenten worden aangereikt die de conclusie schragen dat van deze hoofdelijkheid kan worden afgeweken, indien de derde-medecontractant hiermee akkoord gaat.

In het kader van een openbare aanbesteding wordt dit wellicht niet mogelijk, maar in een privaatrechtelijke context kan in het contract worden voorzien dat de maten niet hoofdelijk gehouden zullen zijn.

Een stap verder is dan de vraag of in de statuten kan worden voorzien dat de zaakvoerder geen overeenkomsten mag sluiten die tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten leiden. Een complexer vraagstuk waarvoor menig rechtsleer teruggrijpt naar de vertegenwoordigingsregels in het Oud Burgerlijk Wetboek (artikel 1998), dat stelt dat beperkingen aan de beslissings- en vertegenwoordigingsbevoegdheid van de zaakvoerder tegenwerpelijk zijn aan derden.

Het is nog onduidelijk hoe die burgerlijke principes en reflecties stand houden wanneer de WHO net het burgerlijk karakter van vennootschappen heeft ongedaan gemaakt…

De Ondernemingsrechtbank.

De Ondernemingsrechtbank, zijnde de naamsopvolger van de Rechtbank van Koophandel, is nu algemeen bevoegd voor geschillen tussen maatschappen en andere ondernemingen, uiteraard onder het voorbehoud dat de hoedanigheid van de verweerder in principe relevant blijft.

UBO

De Belgische Antiwitwaswet van 18 september 2017 verplicht vennootschappen, (internationale) vzw’s en stichtingen om toereikende, accurate en actuele informatie over hun uiteindelijke begunstigden (Ultimate Beneficial Owners of UBO’s) in te winnen en bij te houden. Ook maatschappen vallen hier onder.

Of deze registratie ook maar dient te gebeuren bij de aanvang van de activiteit(en) (zie overweging inzake KBO) is echter niet duidelijk; wellicht moet dit onmiddellijk.

Burgerlijk Wetboek

De wetgever startte tevens een ambitieus project met de invoering van een nieuw Burgerlijk Wetboek, dat het “Burgerlijk Wetboek” zal noemen en het bestaande is nu het “Oud Burgerlijk Wetboek”. Ook dit treft de maatschap.

Het reeds ingevoerde Boek 8 betreffende het bewijs, bevat in artikel 8.11 de regels inzake bewijs door en tegen ondernemingen.

Het klassieke burgerlijk bewijsrecht is dus niet meer van toepassing op maatschappen, hetgeen uiteraard bijzonder relevant is voor het bewijsstelsel (zijnde de uitzondering op het gereglementeerd stelsel) en de bewijsmiddelen (met alle middelen van recht). Zo zal bijvoorbeeld ook de bijzondere bewijswaarde van een factuur gelden voor een door de maatschap aanvaardde factuur, ook al is dit een voorheen burgerlijke maatschap.

Boek XX WER.

De wet van 11 augustus 2017 heeft het Boek XX "Insolventie van ondernemingen" ingevoerd in het Wetboek van economisch recht (WER). Hieronder vallen uitdrukkelijk ook de maatschappen, waarop dus het algemeen insolventierecht van toepassing is.

Alle maatschappen - ook de voorheen burgerlijke maatschappen – sinds 1 mei 2018 failliet worden verklaard.

Besluit

De hervormingen aan de maatschap zijn wezenlijk, zeker voor de voorheen burgerlijke maatschappen. Stillaan komen ook de eerste vragen naar het nut van een onderneming/ vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid bovendrijven.

Een evenwicht vinden tussen enerzijds snoeien in een wildgroei aan vennootschapsvormen door stroomlijnen, uniformiseren en (zogenaamd) eenvoudiger maken en anderzijds de rijkdom van een aanbod aan mogelijkheden die aan specifieke noden tegemoet komt is moeilijk. De wetgever is (te?) ver gegaan voor de maatschap, maar het is in lijn met de tijdsgeest.

Laat de maatschap toch maar verder leven.

Benoit Samyn
Advocaat, Monard Law

More Partner Blogs


11 augustus 2022

The new impact of the Brussels I regulation on arbitrators: analysis of the latest ruling of the European Court of Justice

In a judgment rendered on June 20, 2022, the Grand Chamber of the European Court of Justice (ECJ) ...

Lees meer...

02 augustus 2022

De wettelijke garantie bij consumentenkoop

Sinds 1 juni 2022 is de nieuwe garantieregeling voor consumenten in werking getreden, waardoor de...

Lees meer...

11 juli 2022

The competent jurisdiction for international workers: how to find the place where the employee habitually works.

The concept of the “place where the employee habitually works” is an essential concept for...

Lees meer...

23 juni 2022

Recht op een andere functie voor personen met een handicap?

Is een werkgever verplicht om een werknemer die wegens een handicap zijn oorspronkelijke functie...

Lees meer...

17 juni 2022

Whistleblower protection: ready for action?

The European Whistleblowing Directive (the Directive) provides for the establishment of mandatory...

Lees meer...